KUNSTGESCHIEDENIS

De cursus bestaat uit 6 lessen onder leiding van docent Bertus Bakker
op woensdagavond van 20.00 tot 22.00 uur.

Dr. Bertus Bakker is cultuurhistoricus, natuurkundige en voormalig algemeen directeur van een scholengemeenschap.
Hij verzorgt al jaren cultuurhistorische causerieën over uiteenlopende onderwerpen. Vorig jaar is hij gepromoveerd op de radio- en televisiecursus Openbaar Kunstbezit. De handelseditie van zijn proefschrift is in mei 2014 verschenen onder de titel Elk zijn museum. Openbaar Kunstbezit 1956-1988, esthetische vorming van het Nederlandse volk.

Het onderwerp van de cursus is NEDERLANDSE KUNST

1  OUD-NEDERLANDSE KUNST  (15e eeuw)

In deze lezing wordt aandacht besteed aan de beeldende kunsten van de 15de eeuw in ons land. De late middeleeuwen tonen ons de eerste bloei van de Nederlandse kunst.  In Zuid-Nederland brengen de Vlaamse Primitieven als Jan van Eyck en Rogier van der Weyden de schilderkunst tot hoge bloei. Noordeljke meesters als Dirc Bouts vestigen zich dan ook in Vlaanderen. Maar aarzelend breekt ook het licht door voor de kunsten in het Noorden en treden kunstenaars uit de anonimiteit. In het begin van de 15de eeuw wordt eerst Utrecht van enig belang als kunstcentrum. Hier ontwikkelt zich een primitief realisme. Gaandeweg neemt echter het gewest Holland deze rol over. In Haarlem werkt de schilder Albert van Ouwater, maar nog belangrijker dan hij was zijn bijzonder begaafde, maar helaas jonggestorven leerling Geertgen tot Sint Jans. Een schilder met een geheel eigen repertoire was Jeroen Bosch met zijn apocalyptische visioenen. Hoewel veel van de kunstwerken gemaakt werden voor kerken of kloosters, komen in de lezing niet louter religieuze werken aan bod. Naast schilderkunst besteden we ook aandacht aan andere vormen van kunst zoals de beeldhouwkunst, van o.a. Adriaen van Wesel. De ontluikende kunsten van de 15de eeuw tonen ons een boeiend en zeer veelzijdig beeld van de artistieke ontwikkelingen in ons land in een eeuw waarin in Italië zich de renaissance ontwikkelde.

2   WEGBEREIDERS VAN DE GOUDEN EEUW  (16e eeuw)

De grondslagen voor de geweldige bloei van de Nederlandse schilderkunst in de 17de eeuw zijn gelegd door de kunstenaars van de 16de eeuw.  Tijdens deze eeuw ontstaan de belangrijke stedelijke schilderscholen, zoals te Haarlem, Delft en Leiden en ook in de jonge stad Amsterdam.

Het is de eeuw van de Opstand tegen Spanje en van de Beeldenstorm, maar ook de eeuw waarin de invloed van de Italiaanse Renaissance in ons land merkbaar wordt. In de loop van de 16de eeuw ondernemen steeds meer kunstenaars de reis over de Alpen. Kunstenaars als Lucas van Leyden, Maarten van Heemskerck en Jan van Scorel laven zich aan de weergaloze Italiaanse kunst van Leonardo da Vinci, Michelangelo en Rafael en brengen als romanisten de verworvenheden van deze renaissance naar ons land. Tegen het einde van de eeuw bloeit het maniërisme met name in Haarlem en Utrecht.
Gaandeweg ontwikkelen zich in de schaduw van de religieuze kunst nieuwe genres die het dagelijkse leven tot onderwerp hebben, zoals stilleven, landschap en interieur. Wereldlijke opdrachtgevers nemen de plaats in van de vroegere kerkelijke. De schilderkunst van de 16de eeuw toont in velerlei opzichten reeds de kiemen van de luister van de Gouden Eeuw

3   DE GOUDEN EEUW  (17e eeuw)

De beeldende kunst van de Nederlandse 17de eeuw is van een ongeëvenaarde rijkdom en kwaliteit.  Na de beeldenstorm en de overwinning van het calvinisme valt alhier de Kerk weg als grote opdrachtgever. De kunstenaars gaan nu werken voor de markt en de vraag is zo groot dat de productie van schilderijen naar een ongekende hoogte stijgt. Voor hun inspiratie richten de schilders zich niet meer zozeer op religieuze onderwerpen, maar vooral op de dagelijkse realiteit. Als gevolg van het systeem van vraag en aanbod gaan de kunstenaars zich specialiseren. Een schilder als Frans Hals richt zich op het portret, Jacob van Ruisdael op het landschap en Jan Vermeer op het genre. Ook zijn er de Italianisanten die hun inspiratie over de Alpen zoeken. Maar natuurlijk zijn er ook kunstenaars als Rembrandt die niet zijn in te delen bij een bepaald specialisme. Het hoofdaccent in de lezing ligt op de grote variëteit van de Hollandse schilderkunst, maar ook architectuur en beeldhouwkunst van meesters als Jacob van Campen en Hendrick de Keyser worden niet vergeten.

4   IN INTERNATIONAAL VAARWATER   (1950 tot 1975) 

In deze lezing verkennen we de kunst die nog niet zo ver achter ons ligt en die ook vandaag de dag nog haar artistieke invloed doet gelden.
Na de Tweede Wereldoorlog kan de Nederlandse kunst voorgoed niet meer los gezien worden van de internationale ontwikkelingen. Vooral Amerika geeft in die jaren de toon aan met nieuwe stromingen die in Europa hun echo krijgen. In het begin van de jaren vijftig was de beweging van Cobra zeer dominant. Cobra was overigens meer dan alleen schilderkunst en de literaire Vijftigers zijn nauw verwant aan deze beweging. 
Onder invloed van het abstract expressionisme en de Action Painting in Amerika evolueerde de kunst vervolgens in nieuwe experimentele richtingen. Zo kreeg het geschilderde oppervlak in de werken van Jaap Wagemaker steeds meer reliëf door het mengen van de verf met andere substanties. Naast deze materieschilders opereerden de kunstenaars van de Nulgroep (Zero), zoals Jan Schoonhoven en Armando. 
Hoewel de Amerikaanse Pop Art in ons land maar weinig directe navolging heeft gekregen, heeft de popmentaliteit des te meer invloed gehad. Zonder de Pop Art zou het werk van Wim T. Schippers nauwelijks denkbaar zijn. Ook andersoortige invloeden zijn aantoonbaar, zoals die van de computer in het werk van Peter Struycken en van de fotografie in dat van Ger van Elk. Kunst blijkt gaandeweg steeds meer een conceptueel karakter te krijgen. Maar we moeten niet vergeten dat tegelijkertijd met deze experimenten er ook nog gewoon figuratief geschilderd werd door kunstenaars als Co Westerik.
In de architectuur zien we dat steeds grootschaliger projecten tot stand komen zoals gebouwen van Aldo van Eyck en Herman Hertzberger, maar vooral de omstreden complexen van Hoog Catharijne en de Bijlmer. 
In deze jaren vervagen de grenzen tussen de verschillende kunsten steeds verder. Uiteraard zullen we ook aan dit soort kunstgenres als de performances, de videokunst en de Landart aandacht besteden.

5   REMBRANDT EN DE BIJBEL (leven en werk aan de hand van zijn bijbelse ouevre)

De bijbel vormde de belangrijkste inspiratiebron voor de in Leiden geboren Rembrandt van Rijn (1606-1669).  Hij had een persoonlijke voorkeur voor historiestukken, die door de kunstkenners van zijn tijd hoger werden aangeslagen dan de stillevens, landschappen en portretten die vooral om den brode werden gemaakt. Inspiratie voor die historiestukken vond hij buiten de verhalen uit de klassieke oudheid vooral in het Oude Testament. Met zijn talloze rampen, oorlogen, volksverhuizingen en andere dramatische gebeurtenissen waarin bedreiging en verlossing centraal staan, sprak deze thematiek in de nieuw gevormde Republiek tot de verbeelding. Maar uiteraard vormde het leven van Jezus zoals beschreven in de evangeliën ook een onuitputtelijke bron voor Rembrandt. Onze grootste schilder heeft ruim 300 tekeningen, etsen en schilderijen vervaardigd met een bijbels onderwerp. Aan de hand van een representatieve keuze uit zijn rijke loopbaan behandelen we niet alleen boeiende episoden uit de bijbel, maar krijgen we ook oog voor de veelzijdigheid van het genie Rembrandt. Soms koos hij voor een emotionele en dramtische weergave van het verhaal, maar in andere werken was het juist weer de ingetogenheid en het verstilde moment waarop hij zich richtte. Onberoerd laten geen van de werken ons.

6   PITTIGE PRENTEN  (prenten zijn nogal eens intrigerender en spannender dan schilderijen)

Anders dan een schilderij is een prent gemaakt om vermenigvuldigd te worden. Dat betekent da t de prent een aanzienlijk groter bereik heeft. De prentkunst dient dan ook doorgaans een ander doel dan  een schilderij. Aangezien de prent in oplagen wordt gedrukt en dus velen onder ogen komt, is deze bij uitstek geschikt om een boodschap uit te dragen, die nog kan worden versterkt als de prenten in een serieverband worden uitgebracht. Zo kennen wij vele beroemde leerrijke reeksen waarin deugden en ondeugden in beeld worden gebracht, bijvoorbeeld van Pieter Breughel en Maarten van Heemskerck. Verder is de prent geschikt om uiteenlopende maatschappelijke zaken aan de kaak te stellen, waarbij uiteraard            de gedachten uitgaan naar de politieke spotprent of andersoortige cartoons. Al van oudsher hebben prentkunstenaars op indringende, vaak humoristische en soms zelfs pikante wijze instanties of illustere figuren op de hak genomen. Daarnaast is de prent door de eeuwen heen een zeer geschikt medium geweest om artistieke ontwikkelingen over de landsgrenzen heen bekend te maken. Zo bezat Rembrandt een enorme collectie prenten waardoor hij op de hoogte was van de ontwikkelingen elders in Europa. In deze lezing zullen aansprekende voorbeelden van zowel oude als eigentijdse prentkunst aan de orde komen. Aan de hand van een uitgelezen selectie prenten zal op een aantal beroemde voorvallen uit de geschiedenis een bijzonder licht worden geworpen. Ten slotte zal ook kort worden ingegaan op de verschillende technieken, zoals de ets, de hout- en kopergravure en de lithografie.
 

Cursusdata: 15, 29 november en 13 december 2017,
17, 31 januari, 21 februari 2018.

Locatie: 't Trefpunt aan het Abraham du Boishof 2 te Heiloo  

Kosten:      leden: € 63,-        niet-leden: € 72,- 

In combinatie met de 2 lezingen Kunstgeschiedenis van Wilma Sep:
Kosten:      leden: € 80,-        niet-leden: € 92,-


HIER kunt u zich AANMELDEN of meer INFORMATIE opvragen.